Henk van Renssen
52 min readNov 1, 2020

--

De metamorfose van Gajto Gazdanov

Gajto Gazdanov (1903–1971) was een Russische schrijver die het grootste deel van zijn leven in Parijs woonde. Hij was een emigré, nu zouden we hem een vluchteling noemen. Door de burgeroorlog in Rusland na de Russische revolutie raakte hij op drift. Hij leefde in Parijs het ingewikkelde leven van een onvrijwillige immigrant.
Gazdanov voltooide in Parijs negen romans (waarvan enkele sterk autobiografisch), een non-fictieboek en vele korte verhalen. Hij schreef ze allemaal in het Russisch. Na zijn dood in 1971 raakte hij de vergetelheid, om na de val van de Berlijnse Muur herontdekt te worden als schrijver van moderne klassiekers. Van zijn autobiografische romans zijn er de afgelopen jaren ook enkele in Nederlandse vertaling verschenen.

Ik vond ze meteen fascinerend. De schildering van het Parijs van de jaren twintig en dertig, de filosofische stijl en de intieme vertelstem trokken me onverbiddelijk de verhalen in. Maar er was nog iets. De romans hadden een ongewone structuur. De ene keer ontbrak er een plot, de andere keer werd de clou vrijwel meteen weggegeven. Gajto Gazdanov had daar in Parijs niet alleen traditionele verhalen willen vertellen, hij was ook heel bewust bezig geweest met hun vorm. Onder die soepele, melancholieke vertelstem schuilde een experimentele geest.

Ik had het gevoel dat dit in verband stond met Gazdanovs leven als banneling, dat hij daarover iets duidelijk wilde maken. Ik wilde weten wat. Ik verdiepte me in zijn leven en las en herlas zijn boeken en korte verhalen voor zover ze vertaald waren in het Nederlands, Engels, Frans of Duits (niet allemaal, helaas). En ik ging naar Parijs, op zoek naar sporen van de Russische emigré-gemeenschap uit de jaren twintig en dertig.

1. De vluchteling

De Krim, het schiereiland in het zuiden van Oekraïne, 1920. De Russische burgeroorlog liep ten einde. Het Rode Leger onder leiding van Leon Trotski had de Witten van generaal Wrangel naar de zuidkust van het Oekraïense schiereiland gedreven. Aan de kades van havenstad Sebastopol hoopte zich een mensenmassa op. Iedereen in Oekraïne en Zuid-Rusland die iets van de communisten te vrezen had, probeerde het land uit te komen.

Tussen 14 en 16 november 1920 voer een armada van oude en krakkemikkige oorlogsbodems, vrachtschepen en motorjachten de Zwarte Zee op. Vele hadden nauwelijks drinkwater en te weinig kolen voor de overtocht aan boord. Ze zaten desondanks tot de nok toe vol met passagiers: complete legereenheden van de Witten, Russische en Oekraïense ondernemers, monarchisten, sociaaldemocraten, liberalen, aristocraten, intellectuelen, artsen, advocaten en journalisten. Plus hun vrouwen en kinderen, voor zover ze die mee hadden kunnen krijgen. Zo’n 150.000 mensen ontvluchtten die drie herfstdagen via de Zwarte Zee het uitdijende Sovjetrijk en voeren richting Constantinopel, het huidige Istanboel. Onder hen: de 16-jarige soldaat Gajto Gazdanov, de zoon van een houtvester uit Ossetië, in 1903 geboren in Sint-Petersburg.

Gajto had gewerkt op het mitrailleurplatform van een pantsertrein op de Krim. Hij had gruwelijke gevechten meegemaakt. Zijn eenheid was steeds verder naar het zuiden gedreven, tot ze uiteindelijk was gestrand bij het havenstadje Feodosija, ten oosten van Sebastopol. Daarvandaan was zijn schip vertrokken. Bij het wegvaren had hij brand zien woeden in het centrum van de stad. ‘Nog lang werd het stoomschip achtervolgd door de kusten van Rusland,’ schreef Gazdanov negen jaar later op de laatste pagina’s van Een avond bij Claire, zijn autobiografische debuutroman vol herinneringen. ‘Fosforescerend zand regende in de zee, dolfijnen dartelden in het water, de schroeven wentelden met een dof geluid, de wanden van het schip kraakten; beneden in het ruim klonk het murmelende snikken van vrouwen en het schuiven van graan waarmee het schip geladen was. Steeds verder weg was de brand van Feodosija, steeds zuiverder en luider het lawaai van de motoren; en later, toen ik voor de eerste keer wakker werd, merkte ik dat Rusland verdwenen was en dat we over zee voeren, omgeven door nachtelijk blauw waar onder het oppervlak de ruggen van dolfijnen voorbijflitsten, en door een hemel die dichterbij was dan ooit.’

Net als veel van zijn medevluchtelingen had Gajto Gazdanov zijn laatste blik op Rusland geworpen. Hij zou zijn geboorteland nooit meer terugzien.

Ongeveer een miljoen mensen verlieten tijdens en vlak na de Burgeroorlog via allerlei wegen Rusland. Ze kwamen terecht in China, het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Europa. De wereld had sinds de roerige tijden na de Franse Revolutie niet zo’n grote groep vluchtelingen gezien, kende het fenomeen van de massale vluchtelingenstroom gewoonweg niet. En terug konden deze ontheemden voorlopig niet meer. Aan het begin van wat historicus Eric Hobsbawn de ‘korte twintigste eeuw’ noemde — de periode van wereldomvattende strijd tussen de grote ideologieën, tussen 1914 en 1989 — werd ook de moderne banneling geboren: de émigré, op drift geraakt door ideologisch oorlogsgeweld, op zoek naar een nieuw thuis.

Waar moesten de verdreven Russen en Oekraïners heen? Wie wilde hen opnemen? Er ontstonden spontaan ‘Russische’ gemeenschappen in Shanghai, op de Balkan en in Berlijn. In de Duitse hoofdstad vestigde zich in 1920 bijvoorbeeld de jonge dichter Vladimir Nabokov uit Sint Petersburg met zijn ouders (overigens nadat hij eerst nog in Cambridge had gestudeerd, Nabokovs familie was zeer upper class geweest in Rusland). Gajto Gazdanov en veel andere Witte soldaten kwamen terecht in een armoedig opvangkamp in Gallipoli, op het Turkse schiereiland langs de Dardanellen waar vier jaar eerder nog een van de grote slagen van de Eerste Wereldoorlog had gewoed. Het Witte Leger verkeerde in de veronderstelling dat het elk moment weer kon terugkeren naar Rusland om de strijd tegen de Roden op te pakken en hield er een ijzeren militaire discipline in stand. Maar in werkelijkheid zouden de soldaten nooit meer de wapens oppakken. Ze verveelden zich er stierlijk. En dat begon de jonge Gazdanov na een jaar tegen te staan.

Geen wonder. Als we zijn alter ego Kolja Sosedov in Een avond bij Claire mogen geloven (en volgens een literatuurwetenschapper die in de jaren zeventig voor zijn proefschrift nog met nabestaanden en bekenden van de toen volkomen vergeten schrijver sprak, mogen we dat), dan was de piepjonge Gazdanov niet bepaald uit politiek idealisme in het leger gegaan. Het was een combinatie geweest van plichtsbesef en zucht naar avontuur. ‘Ik trad toe tot het Witte leger omdat ik me op het grondgebied daarvan bevond, omdat iedereen dat deed,’ vertelt Sosedov. En: ‘Ik wilde weten wat oorlog was, dat was steeds weer datzelfde streven naar het nieuwe en onbekende.’

Een nogal extreem verlangen voor een puber misschien, maar waarschijnlijk wilde Gazdanov/Sosedov zo ook ontsnappen aan zijn tot dan toe dramatisch verlopen leven. Gajto Gazdanov groeide op in een belezen middenklassegezin. Zijn vader, de houtvester, moest door het hele tsaristische Rusland bosbouwprojecten inspecteren en daarom verhuisden ze vaak, onder meer naar Siberië en Oekraïne. Naar alle waarschijnlijkheid beleefde Gajto zijn eerste jaren een gelukkige tijd. Maar daar kwam al snel een eind aan: een zusje overleed en op zijn achtste stierf ook zijn vader, niet lang daarna gevolgd door zijn tweede zusje. Een drievoudig drama, dat Gajto en zijn moeder verweesd en wanhopig achterliet.

Ze vestigden zich in de Oekraïense stad Charkov, waarna zijn moeder hem al snel naar een militaire kostschool in Poltava stuurde — waarschijnlijk was ze te aangeslagen door het verlies van haar man en dochters om nog adequaat voor hem te kunnen zorgen. Een jaar later, in 1912, keerde hij terug en ging naar het gymnasium.

In de daaropvolgende zomers logeerde Gajto vaak lang bij zijn grootouders in Ossetië op de Kaukasus, en geregeld ook bij zijn favoriete oom, een oud-militair, in het Russische stadje Kislovodsk. En daar besloot de jongeling (schrijft hij tenminste in Een avond bij Claire) in de zomer van 1919, toen de Burgeroorlog al bijna twee jaar gaande was, in het leger te gaan. Uit plichtsbesef, uit zucht naar avontuur, en misschien ook wel om de deprimerende situatie thuis te ontvluchten.

Twee jaar later zat hij weg te kwijnen bij een verslagen leger in Turkije, ver van Charkov. De omstandigheden in het kamp waren erbarmelijk en de vooruitzichten slecht — na anderhalf jaar wist de internationale gemeenschap nog steeds niet wat te doen met al die vluchtelingen. Toen ook nog een conflict tussen de eigenwijze Gajto en een meerdere dreigde uit te lopen op een militair tribunaal, hield hij het voor gezien. Hij ontsnapte naar Istanboel, waar hij onderdak vond bij een nicht, een danseres. Het was 1921. Gajto Gazdanov zou dat jaar ook nog statenloos worden: Lenin ontnam in november alle gevluchte inwoners van de Sovjet-Unie hun nationaliteit. Gajto’s toekomst en die van zijn medebannelingen zag er uiterst somber uit.

Toen kwam de internationale gemeenschap eindelijk in actie. In 1921 benoemde de pas opgerichte Volkenbond — de voorloper van de Verenigde Naties — de in die tijd wereldberoemde oud-poolreiziger en internationaal diplomaat Fridtjov Nansen tot de eerste Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen. Deze Noor moest eerst en vooral het probleem van de Russische vluchtelingen aanpakken. Een jaar later kwam hij met het ‘Nansen-paspoort’, een identiteitskaart waarmee de bezitters ervan een verblijfsvergunning konden aanvragen in verschillende landen. Zoals Frankrijk, dat de Witten aan het einde van de Burgeroorlog had geholpen (onder meer bij de terugtocht over de Zwarte Zee) en dat sinds de mensenverslindende Eerste Wereldoorlog zat te springen om arbeiders. Gajto kreeg zo’n Nansen-paspoort, net als illustere medevluchtelingen als Igor Stravinski, Marc Chagall en Robert Capa. In 1922 en 1923 maakte hij op een speciale school voor Russische vluchtelingen in Bulgarije zijn gymnasiumopleiding af en in november 1923 arriveerde hij in Parijs.

Gajto Gazdanov was nog maar negentien jaar oud. Zijn jeugd was definitief voorbij. Parijs zou zijn nieuwe thuis worden. En hier zou hij zijn intrigerende romans gaan schrijven.

2. De arbeider

De Franse hoofdstad nam rond deze tijd net de positie als centrum van de Russische diaspora in het Westen over van Berlijn, dat met een diepe economische crisis kampte. In absolute aantallen zouden er in de miljoenenstad niet eens zoveel ‘Russen’ (er zaten veel Oekraïners tussen) komen te wonen, volgens recente schattingen ongeveer veertigduizend op het hoogtepunt rond 1930. Maar ze vormden een hechte gemeenschap met een rijk cultureel leven.

Er waren in Parijs Russische cafés en Russische restaurants, Russische kranten, Russische tijdschriften en boekuitgevers, en literaire avonden en politieke lezingen in het Russisch. In de schaduw van het roaring twenties Montparnasse van Ernest Hemingway, F. Scott Fitzgerald en Picasso, bloeide er een parallel ‘Russisch Montparnasse’ op, met Russische schrijvers en kunstenaars die cafés frequenteerden als Le Dôme, La Rotonde, Dominique, Le Bollet en Le Monocle.

Daar zijn nog schaarse resten van over. Wie vandaag de dag bijvoorbeeld de rue de la Montagne Ste Geneviève inloopt, vindt op nummer 11 nog een stoffig Russisch boekwinkeltje, Les Editeurs Réunis. Dat bestaat al sinds de jaren twintig, toen op een ander adres onder de naam YMCA Press. Het zaakje zit volgestouwd met nieuwe en tweedehands Russische boeken, waar enkele klanten zwijgend in bladeren. Op een lage kast liggen grote fotoboeken over de emigranten in Parijs en als je erin zoekt, vind je Gazdanov. Op een kermisfoto: verlegen glimlachend kijkt hij door een gat in een doek waarop een vliegtuigje is geschilderd, zodat het lijkt alsof hij een passagier is die uit het raampje kijkt. De wat norse oude eigenaar van de winkel, zelf immigrant, zal je vertellen dat hij thuis een gesigneerde eerste editie van een roman van Gazdanov heeft, ooit te koop aangeboden door een Russische Parijzenaar.

En als je dan doorloopt naar de Rue Daru, vind je verstopt in dat smalle straatje niet ver van de Arc de Triomphe nog altijd de Russisch-orthodoxe Alexander Nevski-kathedraal met zijn goudkleurige torenspitsen. Deze kerk vormde vroeger het centrum van het religieuze leven van de emigranten. Het was een belangrijke ontmoetingsplek; de straatjes eromheen zaten vol met Russische theezaakjes en andere winkeltjes. Nu is het een stil buurtje, waar twee Russische restaurants het idee van een levendig Russisch wijkje in stand proberen te houden. En er komen toch ook nog altijd Russen: op papiertjes op het hek bij de kathedraal bieden vrouwen zich in het Russisch en Frans aan als huishoudelijke hulp. Inmiddels arriveren er af en toe zelfs weer Russische emigrés in Parijs, vertellen de kranten, mensenrechtenactivisten op de vlucht voor vervolging door het regime van Vladimir Poetin.

Onder de émigrés van Parijs in de jaren twintig leefde sterk het gevoel dat ze het ‘andere Rusland’ in stand moesten houden, de niet-bolsjewieke natie van Dostojevski en Tsjechov. Maar de meningen verschilden sterk over welk land dat precies was: het orthodoxe, tsaristische Rusland uit hun jeugd met zijn bijna absolute monarchie? Of een liberale democratie naar westers model, die de Russen om zich heen zagen? Die vraag (eigenlijk nog altijd actueel) was voer voor heftige discussies en een grote richtingenstrijd, ook in de verzuilde emigré-kranten.

De Fransen moeten enigszins geamuseerd, maar ook met een zeker ontzag hebben toegekeken. De Parijse bannelingen brachten beroemdheden met zich mee die ook in Frankrijk furore maakten: de operazanger Fjodor Tsjaliapin, ballerina Anna Pavlova, danser Sergej Lifar (van Diaghilevs ‘Ballets Russes’) en de schrijver Ivan Boenin, die in 1933 tot grote vreugde van de Russische gemeenschap de Nobelprijs voor de Literatuur zou krijgen. Zij zorgden ervoor dat de Russen deels een naam kregen als een cultureel zeer onderlegde en invloedrijke gemeenschap.

Maar er deden over de emigranten ook andersoortige grappen en clichéverhalen de ronde. Wijdverbreid was bijvoorbeeld het verhaal van de voorname Russische aristocraat die nu als taxichauffeur zijn geld moest verdienen. Dat was leedvermaak van de Fransen over de gevallen Russische elite, die en masse naar Parijs zou zijn gevlucht — al was slechts zo’n één procent van de Russische ballingen van adel. Maar de Russen waren wel relatief hoogopgeleid, er zaten veel officieren, ondernemers en ambtenaren uit de tsaristische bureaucratie tussen, en taxichauffeur worden was inderdaad zo ongeveer het hoogste wat ze in hun nieuwe land konden bereiken. Zo’n baantje was in elk geval beter dan arbeider worden in één van de grote autofabrieken aan de rand van Parijs, van bijvoorbeeld Renauld en Citroën, waar in feite de meeste vluchtelingen in de jaren twintig terechtkwamen. De discriminatie van de vluchtelingen was groot, de kans om carrière te maken in hun oude vak was vrijwel nihil.

Lange uren eentonig werk in grote fabriekshallen tegen een miniem loon, wonen in armoedige appartementjes aan de rand van de stad (dicht bij de fabriek), gediscrimineerd worden door de Fransen, altijd bang hun verblijfsvergunning te verliezen, en terugverlangend naar een land dat ze misschien nooit meer zouden zien: dat was het leven van de meeste Russen. En dan brandde ook nog voortdurend die ene vraag: moesten ze nou zoveel mogelijk Russisch blijven, in afwachting van de ineenstorting van het Sovjet-imperium (die de Russischtalige pers in Parijs voortdurend voorspelde) en de terugkeer naar huis? Of moesten ze ook in meer of mindere mate Frans worden, hun kinderen Frans leren, hun zelfbeeld en identiteit bijstellen — een metamorfose ondergaan?

Het waren deze vragen waarop Gajto Gadanov in Een avond bij Claire antwoord probeerde te vinden. Hij moet ze in die jaren allemaal hebben gesteld. De eerste tijd in Parijs verliep ook voor de jonge Rus moeizaam. Hij moest hard werken om in leven te blijven. In de winter van 1923–24 begon hij als losser in de haven van St. Denis — fysiek zeer zwaar werk. Minstens even uitputtend was zijn volgende baan als locomotievenwasser. In de winter van 1925–26 bereikte hij het dieptepunt: Gazdanov leefde drie maanden op straat in Parijs, overnachtend in shelters en onder bruggen. Daarna kreeg ook hij een baantje in de Citroën-fabriek. In diezelfde tijd moet hij overigens, ondanks al deze moeilijkheden, ook al aan het schrijven zijn geweest. Mogelijk begaf hij zich af en toe zelfs al in het literaire wereldje van de Russische schrijvers — diepe armoede en hoge cultuur sloten elkaar niet uit in Russisch Parijs.

Langzaam verbeterden hierna Gajto’s omstandigheden. Hij leerde al snel vloeiend Frans spreken (hij had het in zijn jeugd al enigszins geleerd, niet ongewoon in de burgerlijke klasse toen) en begon als bijbaan privélessen Frans en Russisch aan te bieden. Met vrienden, onder wie een dichter, begon hij een bedrijf dat melkproducten bezorgde, maar dat mislukte al snel toen hun auto pech kreeg. Vervolgens bemachtigde hij een administratief baantje bij een grote uitgever, Hachette. Dat klonk veelbelovend, maar als we zijn kafkaëske relaas hierover in zijn latere roman Nachtwegen mogen geloven, was het een bureaucratische nachtmerrie. Hij vertrok in elk geval al snel weer. En toen ging hij met een kleine beurs aan de Sorbonne studeren, uitzonderlijk voor die tijd. Er is niet veel over bekend, waarschijnlijk volgde hij vakken als literatuurgeschiedenis, sociologie en economie. Hij maakte hij zijn studie niet af, het is niet bekend waarom. Ten slotte kreeg hij in 1928 de baan die hij tot 1952 zou houden: chauffeur van een nachttaxi, het hoogst bereikbare voor veel Russische emigranten. Vierentwintig jaar lang zou Gajto Gazdanov ’s nachts de straten van Parijs doorkruisen.

Hij moet er intens gelukkig mee zijn geweest. Want dankzij deze baan, die hij soms alleen maar in het weekend hoefde uit te oefenen om van te kunnen leven, creëerde hij ruimte voor zijn echte ambitie: schrijver worden. Sinds 1927 had hij al korte verhalen gepubliceerd in Volja Rossii, een in Praag uitgegeven literair tijdschrift voor de Russische diaspora dat veel in Parijs werd gelezen. Nu kon de jonge schrijvende taxichauffeur zich wijden aan zijn eerste roman: Een avond bij Claire.

3. De dromer

Een avond bij Claire schreef Gazdanov, net als al zijn latere boeken, in het Russisch. Hij beschouwde dat zijn leven lang als zijn enige echte moedertaal, ook al sprak hij vloeiend Frans. Hij was en bleef, met andere woorden, een Rus: dat was zijn basisidentiteit, zo voelde hij zich.

Maar door in het Russisch te schrijven gaf hij ook aan wie hij als zijn voornaamste doelgroep beschouwde: de Russische immigranten — uitgegeven worden in de Sovjet-Unie was immers uitgesloten. Hij schreef óver de immigranten, en vóór hen. Hij toonde hen hun weinig rooskleurige leven, en daarin zat misschien wel een soort troost: het was niet onopgemerkt gebleven. Maar Gazdanov deed er ook nog een schepje bovenop: in zijn werk uit die tijd vertelt een Russische vluchteling aan lotgenoten hoe het voelt om als emigré in Parijs te wonen en om daar langzaam maar zeker te veranderen, om een Fránse Rus te worden, of zelfs een Parijse Rus, om die metamorfose te ondergaan. Zijn romans gaan in feite over hoe je het verleden los kan laten zonder het te vergeten, en hoe je zo, als je geluk hebt, het lot weer in eigen handen kan krijgen. Een lang, jarenlang transformatieproces.

En dat begint in Een avond bij Claire, dat in 1929 verscheen. Een romantische en vooral nostalgische roman, wordt vaak gezegd, een Proustiaans werk waarin zo’n Rus in Parijs herinneringen ophaalt aan het leven in zijn moederland. Dat klopt voor een groot deel ook, het boek is in feite één grote herinnering. (Al in die tijd trokken recensenten de vergelijking met Proust; zelf beweerde Gazdanov dat hij die pas na het schrijven van zijn debuut is gaan lezen.) Maar tegelijkertijd doet Gazdanov met zijn bijzondere manier van vertellen veel meer dan dat. Hij laat de lezer ook ervaren hoe het is om op de grens te staan van een nieuw leven, en om afscheid te moeten nemen van het oude.

Het plot van Een avond bij Claire is snel verteld: de ik-verteller, de emigrant Kolja Sosedov, bezoekt in Parijs regelmatig het huis van Claire, een jonge Française die hij nog kent uit zijn jeugd in Rusland. Ze is een tijdje ziek, haar man is voor zaken naar Ceylon, en Sosedov is bijna elke dag bij haar. ’s Avonds mist hij vaak de metro en dan moet hij naar huis wandelen: op de eerste pagina vertelt hij hoe hij van haar huis in de Rue Raynouard in het westen van Parijs helemaal naar zijn eigen appartement op de Place Saint-Michel in het centrum loopt: een lange tocht terug naar het emigrantenbestaan. (Gazdanov wandelde zelf ook altijd heel veel door de stad.)

Thuis gaat hij op bed liggen en verzinkt onmiddellijk in een onrustige duisternis. Het zijn de eerste pagina’s van zijn allereerste roman, maar Gazdanov schrijft meteen in die intens melancholieke, dromerige stijl waarvan al zijn werk doortrokken zal blijven. In die duisternis, schrijft hij, ‘bewogen zich een soort trillende lichamen, die soms niet eens overgingen in de reële gestalten waaraan mijn oog gewend was, maar zomaar weer verdwenen. En in mijn slaap betreurde ik hun verdwijning, voelde mee met hun ingebeelde, onbegrijpelijke verdriet en verkeerde inslapend in die niet uit te leggen toestand die ik wakend nooit zal kennen. Dat zou mij verdrietig moeten stemmen, maar ’s ochtends was ik vergeten wat ik in mijn slaap gezien had en het laatste wat ik mij van de vorige dag herinnerde was dat ik weer de metro gemist had. ’s Avonds ging ik weer naar Claire.’

Claire (gemodelleerd naar een Russische vriendin die niet was gevlucht) was vóór de oorlog vanwege werkzaamheden van haar vader in Rusland beland. Kolja was dolverliefd geweest op dit grappige meisje dat vaak de spot met hem dreef. Tot zijn grote teleurstelling trouwde ze echter opeens met een ander. Wellicht in een gearrangeerd huwelijk, want tijdens een laatste ontmoeting, toen haar man naar het buitenland was, had ze hem uitgenodigd met haar mee naar haar huis te gaan om de liefde te bedrijven. Geschokt was hij weggelopen. Daarna had hij haar niet meer gezien. Maar hij was altijd naar haar blijven verlangen.

In Parijs vonden ze elkaar weer terug — er wordt niet verteld hoe. Kolja is nog steeds, of weer, verliefd, hij is al die jaren van oorlog, verlies en vlucht aan haar blijven denken. En Claire houdt opnieuw vriendelijk maar beslist de boot af, laat hem alleen langskomen om te praten. Tot op de bewuste ‘avond bij Claire’: plots en opnieuw tot Kolja’s verrassing gaat ze in op zijn avances. Even later ligt hij naast haar in bed; ze hebben de liefde bedreven, zij slaapt. We zijn dan op pagina 25 van de roman en het verhaal is af: er gebeurt verder niks meer op die avond met Claire in Parijs.

Behalve dan in het hoofd van Kolja: hij overdenkt de rest van het boek, nog 150 pagina’s lang, half slapend en ‘in die niet uit te leggen toestand’ zijn leven tot zijn hereniging met Claire. Het is het levensverhaal van Gazdanov, maar dan op een andere manier verteld dan ik net deed. Dromerig. Min of meer chronologisch maar ook met abrupte, associatieve sprongen. Kolja vertelt bovendien niet alleen over gebeurtenissen in zijn leven (de dood van zijn vader, de kadettenschool, zijn moeder, de burgeroorlog, zijn belevenissen op de pantsertrein, Claire), maar ook veel over zijn vele gemoedstoestanden en zijn filosofieën over het leven en het lot. Zo overdenkt hij dat hij vaak een grote kloof ervaart tussen zijn binnen- en zijn buitenwereld, en dat hij daardoor in zichzelf gekeerd en dromerig kan zijn, maar op school ook brutaal en rebels. Dit passeert allemaal zonder veel duiding of verhaallijnen: het is een stroom herinneringen die zichzelf voortstuwt, beelden uit zijn leven die aan Kolja voorbij glijden in die zachte droom die langzaam richting de hereniging met Claire drijft.

Het is een bijzondere manier van vertellen. Gazdanov had gemakkelijk een meer traditionele, chronologische opzet kunnen kiezen: dan was de ik-verteller niet in Parijs begonnen, maar eenvoudigweg met zijn jeugd, waarin hij Claire ontmoet en weer uit het oog verliest. Hij maakt de Burgeroorlog mee en emigreert, om op de laatste pagina’s, in Parijs herenigd te worden met Claire. Eind goed, al goed, Rusland en Frankrijk komen samen in een nieuwe toekomst voor Kolja en Claire, een happy end. Met als boodschap: er is nog hoop voor de arme Russen in Frankrijk.

Maar dat romantische verhaal wilde Gazdanov duidelijk niet vertellen.

Bij hem overheerst de herinnering, de weemoed, het terúgkijken naar aanleiding van het ‘happy end’ aan het begin van de roman. En dat heeft een functie. Op de ‘avond met Claire’, lijkt Gazdanov te willen zeggen, bereikt Kolja een kantelpunt. Eindelijk, na al die jaren van oorlog en vlucht en verlangen, is een deel van zijn leven een afgerond geheel geworden: hij is met Claire, de vlucht is voorbij. En dat betekent dat het éindelijk mogelijk is om terug te blikken. Kolja kan nu pas, op dit punt gekomen, alle elementen uit zijn chaotische leven gaan rangschikken, het verhaal van zijn jeugd construeren: wat is er allemaal met hem gebeurd? Als lezers zijn we getuige van dat bouwen, dat de vorm heeft van een verzamelen: in een dromerige toestand komen, half bewust en half onbewust, de elementen samen van het relaas van een jonge Russische immigrant.

En dat herinneren heeft niet alleen een positieve connotatie, het einde is niet alleen gelukkig. Gazdanov maakt dat al aan het begin van het boek duidelijk: ‘En zo treurde ik ook nu,’ schrijft hij als hij net naast Claire ligt, ‘over het feit dat ik niet meer zou kunnen dromen over Claire zoals ik altijd gedaan had; en dat het nog lang zou duren eer ik een ander beeld van haar gecreëerd zou hebben dat op een andere manier net zo onbereikbaar zou worden als tot nu toe dit lichaam, dit haar en deze lichtblauwe wolken geweest waren.’ Kortom: Kolja is niet alleen gelukkig, hij rouwt ook. Er is een periode afgesloten, de tijd dat hij naar Claire kon verlangen. De winst van Claire is ook het verlies van een droom, een doel in zijn verwarrende leven, een houvast: hij voelt zich blij, maar ook verloren. (Een groot verschil met hoofdpersoon Marcel in Prousts A la recherche du temps perdu overigens, die raakt meestal meteen verveeld op het moment dat hij krijgt waarnaar hij verlangt; die luxe is voor Gazdanov niet weggelegd.)

Herinneringen ophalen aan het verleden, het grootste gedeelte van het boek, is dat rouwen. Het is een eerste poging van Kolja zijn leven tot dan toe een plek te geven, er een afgerond verhaal van te maken en om er zo enigszins afscheid van te nemen. En zo neemt hij ook afscheid van zijn identiteit als Rus in Rusland, net zoals vele andere émigrés op een dag moesten doen (of waar ze nooit in zouden slagen): dit is een transformatiemoment. Zijn lezers zullen het wellicht herkend hebben: de dag dat ze zich realiseerden dat hun oude identiteit voorbij was en ze zich afvroegen: wie ben ik nu?

Een nieuw leven wenkt, met Claire, als Russisch Parijzenaar, maar dat moet nog wel helemaal opgebouwd worden. Het is een toekomst vol onzekerheden (denk alleen al aan het feit dat Claire getrouwd is), maar nu is Kolja er een beetje klaar voor. Hij weet niet wat er gaat komen, maar aan het eind van het boek heeft Kolja al dromend wel iets afgerond: zijn jeugd als Rus. Er begint een nieuw hoofdstuk in zijn levensverhaal.

4. De schrijver

Een avond bij Claire was een groot succes in de Russische émigré-gemeenschap. Gazdanov werd in recensies al snel vergeleken met hun andere grote talent: V. Sirin, het pseudoniem waaronder Nabokov toen nog publiceerde. Een grote eer, want er liepen veel Russische exil-schrijvers rond: Nabokov en Gazdanov staken daar voor veel Russische critici duidelijk bovenuit. Er bestaan overigens opvallende en interessante parallellen tussen Een avond bij Claire en Nabokovs debuutroman uit 1926, Masjenka, geschreven in Berlijn. Ook dat boek draait om een jonge Russische immigrant die terugverlangt naar zijn jeugdliefde. In Masjenka heet die vluchteling Ganin en woont hij in een armoedige woonkazerne in Berlijn, waar hij kamers deelt met enkele andere ballingen. Een van hen laat zijn vrouw uit Moskou overkomen en Ganin herkent op een foto van haar Masjenka, zijn eerste liefde. Hij had als tiener kortstondig een verhouding met haar tijdens een zomer op de datsja van zijn ouders buiten Petersburg — Ganin komt net als Nabokov duidelijk uit een gegoed milieu. De foto van Masjenka brengt gedetailleerde herinneringen terug uit die tijd (Nabokov had een fenomenaal geheugen) en de jaren daarna, toen de relatie allang weer voorbij was en Ganin net als Kolja vocht op de Krim (wat Nabokov dan weer nooit heeft gedaan) en via Istanboel in West-Europa terechtkwam. Ganin verlangt opeens hevig terug naar Masjenka. Hij besluit zijn buurman op de avond voor haar aankomst dronken te voeren, zodat die zich zal verslapen en Ganin haar zelf op kan halen van het station. Hij is van plan daarna meteen met haar door te reizen, liefst naar Frankrijk. Zijn plannetje lukt, en Ganin ziet vroeg in de ochtend de trein aankomen. Maar dan bedenkt hij zich plotseling. Hij beseft dat zijn liefde voor Masjenka allang voorbij is, dat het geen zin heeft die weer tot leven te wekken, dat de mooie herinnering een herinnering moet blijven. Hij pakt zijn spullen, neemt de tram naar een ander station en vertrekt van daar in zijn eentje met de trein naar Zuid-Duitsland, nieuwe avonturen tegemoet.

Masjenka gaat dus uit van min of meer hetzelfde gegeven als Een avond met Claire, maar kent een heel andere uitwerking. Eentje die typerend is voor de verschillende wijzes waarop beide schrijvers tegen de emigratie aankeken. Kolja krijgt een relatie met zijn jeugdliefde uit Rusland, en via haar verwerkt hij zijn verleden. Niet om er radicaal afscheid van te nemen, maar om zijn nieuwe identiteit op te bouwen en een Rus in Parijs te worden — niet voor niets noemt Gazdanov bijvoorbeeld straatnamen uit die stad, hij is er al een beetje geworteld. Nabokovs Ganin, voor wie het lawaaiige Berlijn vooral een hinderlijk, anoniem decor is, loopt uiteindelijk in zijn eentje weg. Voor hem geen hernieuwde confrontatie met het oude Rusland en zijn oude zelf, het verleden blijft in het verleden. Ganin (en met hem misschien ook Nabokov zelf) neemt afstand van zijn geschiedenis en daarmee ook van zijn identiteit als ‘emigrant’. Hij gaat zijn eigen, individuele weg.

Of Gazdanov Masjenka las is onbekend, maar Nabokov heeft Een avond bij Claire hoogstwaarschijnlijk wel gelezen, hij liet het boek later in elk geval opduiken in een boekenkast in zijn roman Pale Fire. Maxim Gorki kreeg ook een exemplaar van het succesvolle debuut toegestuurd in de Sovjet-Unie en prees het in een brief aan Gazdanov. (Het boek werd zelfs in het Frans vertaald, maar maakte bij de Fransen weinig indruk.) Gazdanov kreeg door zijn succes ook de gelegenheid verhalen te publiceren in het liberale en prestigieuze Sovremennie zapiski (‘Hedendaagse notities’), het bekendste literaire tijdschrift in Russisch Parijs, waar alleen de gevestigde namen in mochten verschijnen (onder wie weer Nabokov). Hij begon ook deel te nemen aan verschillende literaire discussieclubs, onder meer in het appartement van de rijke emigrant en oprichter van Sovremennie zapiski Ilja Fondaminski, aan het statige Avenue de Versailles in het westen van Parijs. Hij roerde zich af en toe ook op de opiniepagina’s van de Russische kranten. Verder leefde hij vrij teruggetrokken in het vijftiende arrondissement, maar werd af en toe wel gespot tussen de kibbelende andere schrijvers in de cafés op de Russische Montparnasse.

Eén van de weinige opgeschreven herinneringen aan dat literaire wereldje dat maar zo kort heeft bestaan, is Elysian Fields van de schrijver V.S. Yanovski. Daarin verschijnt Gazdanov kort als ‘a stocky fellow with broad shoulders and a short neck, resembling a hornless buffalo, and pockmarks on his large, ugly face’ die desondanks ‘quite a succes with the ladies’ was. Literair gezien moest Yanovski weinig van hem hebben: ‘his major weapon, besides stylistic brilliance, was a nagging, permanent irony; an empty and emptifying skepticism.’ Precies de kenmerken natuurlijk die hedendaagse lezers zo in hem waarderen: zijn vermogen om ‘ironisch’ of ‘sceptisch’ naar zichzelf en zijn eigen tijd te kunnen kijken, alsof hij er buiten staat. Gazdanov verloor zich niet in de eindeloze ruzies tussen de verschillende facties waarin de Russische schrijversgemeenschap verdeeld was (zoals de inmiddels vrijwel vergeten Yanovski), maar bleef meestal observerend aan de zijlijn staan.

Het hielp natuurlijk dat hij tegelijkertijd taxichauffeur was, en dat dubbelleven leidde waarover hij zo veel zou schrijven. In feite keek hij als chauffeur zelfs vaak letterlijk van de buitenkant naar het culturele gewoel.

Het zou de grondstof vormen voor zijn tweede op eigen ervaringen gebaseerde roman, Nachtwegen. Daarin rijdt de hoofdpersoon ‘s nachts in zijn taxi rond door Parijs. Of zat hij te wachten en rond te kijken. In de stilste uren, vertelt hij bijvoorbeeld, ‘ging ik meestal een glas melk drinken in een groot café tegenover een van de stations, waar ik echt iedereen kende’.

Die bar, waar de verteller de paradijsvogels van de nacht ontmoette, heeft echt bestaan. Ze heette café d’Alençon en bevond zich aan de Boulevard du Montparnasse, op de hoek van een pleintje met uitzicht op het Garde du Montparnasse. Dat station is vooral nog bekend vanwege de op vele ansichtkaarten afgebeelde foto van een ontspoorde locomotief die door de gevel is gebroken en half in de lucht hangt. Het is nu verdwenen, dat wil zeggen in de jaren zestig zeshonderd meter naar het noorden verplaatst. In de plaats daarvan bevindt zich op die plek nu een enorm, lelijk winkelcentrum en de al even afzichtelijke Tour Montparnasse, een glimmende kantoortoren. Het pleintje bestaat echter nog wel en het café op de hoek met de boulevard, café Montparnasse, was in een vroegere vorm volgens de gérant echt café d’Alençon. Ga er eens een avond zitten en kijk er door de ogen van Gajto Gazdanov naar buiten, naar de lichten, de passerende silhouetten, de reclames, het verkeer. Met een beetje geluk en samengeknepen ogen vloeien de Parijse nacht van nu en die van 1930 moeiteloos in elkaar over.

Amper vijftig meter verderop beginnen de beroemde brasserieën, Le Select, La Cupole, met hun volle terrassen. Daar vertoefden de gevestigde schrijvers. Gazdanov observeerde intussen ‘de kleinere vrouw in het zwart, die geen moment afscheid nam van haar geruite boodschappentas, ze sleepte die voortdurend met zich mee; ze was een jaar of vijftig. Ze zat meestal stilletjes in een hoek, en ik brak me het hoofd over de vraag wat ze hier op dat uur deed: ze was altijd alleen. Ik vroeg de eigenares ernaar: de uitbaatster antwoordde dat de vrouw werkte als ieder ander. De eerste tijd verbaasden zulke dingen me, maar later kwam ik erachter dat zelfs heel oude en slonzige vrouwen hun klanten hadden en niet zelden even goed boerden als anderen.’

Nachtwegen, vol met zulke mooie passages, verscheen vlak voor de oorlog, in 1939–40, in delen in Sovremennie zapiski. De roman vormt zoals gezegd zijn verwerking van zijn belevenissen als chauffeur tot dan toe, maar af en toe soms hint hij daarin ook op zijn ‘gespleten’ leven, omdat hij daarnaast nog actief is in het literaire leven van Russisch Parijs en met mensen uit hogere klassen omgaat. Hij zegt echter nooit wat hij daar precies doet, zijn parallelle leven blijft in dit boek in de schaduw.

Gazdanov maakte in de jaren dertig meer mee waarover hij in Nachtwegen zweeg. Zo probeerde hij opmerkelijk genoeg om via Maxim Gorki een visum te krijgen voor zijn terugkeer naar de Sovjet-Unie, omdat hij wilde zorgen voor zijn eenzame moeder, met wie hij nog brieven schreef. Tevergeefs, hij zou haar nooit meer zien (ze overleed in de jaren vijftig). Hij hield ook openbare lezingen over de boeken waaraan hij werkte (onder meer in een zaaltje in de de Rue Daru). Gazdanov trad in 1932 bovendien toe tot de Russische vrijmetselaarsloge Poolster in Parijs en zou er de rest van zijn leven bij blijven; hij voelde zich naar verluidt erg thuis bij de besloten club en hield er vele lezingen over literatuur. En hij kwam rond 1935 een Russische emigrante tegen, Faina. Ze trouwden en vestigden zich in een appartement aan de Rue Brancion 69, een hoog Parijs gebouw in het vijftiende arrondissement, een stukje onder Montparnasse, vlakbij een vleesmarkt. Dat is nu een mooi park waar onder meer de paardenhallen nog staan. Het is niet moeilijk ook hier de schim van Gazdanov voorbij te zien wandelen.

Tussen Een avond bij Claire en Nachtwegen voltooide Gazdanov ten slotte nog twee andere, niet-autobiografische romans. De geschiedenis van een reis (1938) is tot op heden helaas alleen in het Russisch beschikbaar. Van het niet-autobiografische De vlucht (1939) bestaat een Franse vertaling uit de jaren negentig en recent verscheen een Engelse versie. Het is een fijnmazige psychologische roman over een rijke Russische émigré-familie in Parijs en de gecompliceerde liefdesrelaties tussen de verschillende personages. Centraal staat de intense verhouding tussen de jonge zoon van de hoofdpersoon (een ogenschijnlijk vriendelijke miljonair die steeds maar iedereen zijn fouten vergeeft) met de zus van zijn moeder — een affaire die tot grote drama’s leidt. Maar het opvallendste aan deze roman is het einde: bijna alle hoofdrolspelers komen om in een vliegtuigongeluk voordat het plot tot een afronding komt — het verhaal stopt abrupt net als de ontwikkelingen naar een climax lijken toe te werken.

Deze roman gaat over hoe het lot (een vliegtuigongeluk, de liefde, maar natuurlijk ook een historische gebeurtenis als de Russische Burgeroorlog) nietsontziend kan ingrijpen in de levens, en dus de verhalen, van mensen. Die verhalen zijn nooit mooi rond en af, zegt Gazdanov, ze zitten vol barsten, breuken, onverwachte wendingen en plotselinge eindes waarin geen afscheid wordt genomen. En als je als lezer wilt weten hoe dat voelt, dan krijg je dit: een roman die je allerlei opmerkelijke personages en hun intense verhalen geeft en dan zomaar eindigt, met een ramp die het verhaal doormidden scheurt en in de prullenbak gooit. Waarna enkele overlevenden weer aan een heel nieuw verhaal zullen moeten beginnen. In dit geval, niet toevallig misschien gezien Gazdanovs jeugd: de moeder en de zoon.

5. De taxichauffeur

De vlucht speelt in een wereld waar Gazdanov min of meer buiten stond, die van de kleine groep rijke Russen in Parijs (en in hun vakantiehuizen aan de Côte d’Azur, waar zich ook een aanzienlijke émigré-gemeenschap bevond en waar ook Gazdanov wel eens vakantie vierde). In Nachtwegen keerde hij terug naar de wereld die hij als taxichauffeur dagelijks meemaakte: de onderkant van de samenleving. En ook Nachtwegen kent weer een ongebruikelijke structuur. Dat heeft namelijk geen plot om van te spreken. Het boek heet een roman te zijn, maar het is in de vorm meer een getuigenis, of het destillaat van een dagboek, of misschien wel: een taxirit door de tijd. De anonieme hoofdpersoon, die in weinig lijkt te verschillen van Gazdanov zelf, vertelt daarin weemoedig over zijn leven tot dan toe: zijn verleden als soldaat en emigrant, zijn pogingen een baan te vinden (allemaal rechtstreeks uit het levensverhaal van Gazdanov zelf), en met name wat hij allemaal door de jaren heeft meegemaakt als taxichauffeur in Parijs. Ogenschijnlijk maakt hij daarbij zelf geen ontwikkeling door. Hij vertelt veel over de levens van mensen die hij tegenkomt, hij hoort ze aan en discussieert met ze, hij denkt veel na over wat hij daar nou van moet vinden, maar zelf onderneemt hij weinig, ook al willen ze hem soms bij hun leven betrekken. Hij is vooral een getuige, de stille, luisterende chauffeur voorin, de man naast je aan de bar, met een scherp oog en oor voor het leed van de Parijse nachtelijke onderklasse, en dan vooral de Russen die daarin terecht zijn gekomen.

Wat iets anders is dan medelijden, want Gazdanov kan soms hard oordelen. Nachtwegen opent schitterend met een lange schets van het nachtelijke leven van Parijs, van alle vreemde types op de boulevards en in de cafés, met anekdotes over de hoeren, de hoerenlopers, de alcoholisten, de verloren Russische zielen, de tragische losers, de rijkaards met een geheim nachtleven, ‘mensen die naar hun aard en beroep doorgaans van tevoren reddeloos verloren waren’. Hij kent hun verhalen, schrijft Gazdanov, omdat ze zich niet inhouden tegenover de anonieme nachttaxichauffeur, die ze toch nooit meer zullen tegenkomen. ‘Daardoor zag ik mijn toevallige klanten zoals ze in werkelijkheid waren, en niet zoals ze zich wilden voordoen — en deze aanraking met hen liet hen vrijwel altijd van hun slechtste kant zien.’

Ja, Gazdanov is geen oversneden romanticus van het nachtleven. Sterker nog, hij kijkt geregeld neer op zijn klanten: nieuwsgierigheid, mededogen en minachting wisselen elkaar voortdurend af. Hij vertelt dat hij de nachtelijke Parijzenaars al jarenlang hardnekkig probeert te begrijpen, zijn nieuwsgierigheid is oneindig, maar vergeefs, want hij is arm en druk en heeft geen tijd zich volledig in hen te verdiepen. Maar dat weerhoudt hem er niet van zich intens te ergeren aan ‘de eindeloze en vreugdeloze menselijke slechtheid waar mijn werk me dagelijks mee in aanraking bracht. Deze was bijna overal, zelden was er plaats voor iets positiefs, en geen burgeroorlog kon in walgelijkheid en gebrek aan alle goeds de vergelijking doorstaan met dit uiteindelijk zo vredige bestaan.’ Let op de korte vergelijking met de burgeroorlog, die hij natuurlijk zelf had meegemaakt: hier in het nachtelijke, vredig lijkende Parijs, gaan de mensen slechter met elkaar om dan in een oorlog, vertelt hij hier bitter.

En dat betreft echt iedereen, rijk en arm: ‘Ondanks mijn hoogst onpartijdige opstelling tegenover iedereen moest het mij wel opvallen dat het verschil tussen hen altijd klein was, en in deze kwetsende gelijkstelling verschilde de vrouw in avondjurk, die aan de avenue Henri Martin woonde, weinig van haar minder fortuinlijke zuster, die over het trottoir tippelde, als een wachtpost, van het ene punt naar het andere; en dat de deftige mensen uit Passy en Auteuil even vernederend afdongen bij de chauffeur als een beschonken arbeider uit de rue de Belleville; en dat je geen van hen kon vertrouwen, daar kon ik mezelf herhaaldelijk van overtuigen.’

Dit is Gazdanov op zijn donkerst. Waarom lijken die ellendelingen niet te willen ontsnappen aan hun lot, vraagt hij zich geregeld af, waarom houden ze maar vast aan dit verrotte leven waar ze nou eenmaal aan gewend zijn? Het zijn gevoelens, schrijft hij echter ook al meteen in een cruciale passage aan het begin, die achteraf gezien misschien ‘niet terecht waren’. Maar hij had ze jarenlang, en hij wil ze niet ontkennen, ‘dat zou eenzelfde innerlijke lafheid zijn als wanneer ik het bewustzijn ontkende dat diep in mij een onherroepelijke en onbegrijpelijke moordlust huist, een volstrekte minachting voor andermans eigendom en een bereidheid tot verraad en ontucht.’ Dit is een typische Gazdanov-wending, waarin hij opeens diep in zichzelf duikt en daar dezelfde immorele impulsen ontwaart als hij bij zijn klanten ziet. En die tot een schrijnend beeld leidt: ‘Als ik na mijn nachtelijke arbeid langs de doodse straten van Parijs huiswaarts keerde [opnieuw een nachtelijke wandeling, als in Een avond bij Claire], stelde ik me meer dan eens tot in detail een moord voor, alles wat eraan voorafging, alle gesprekken, de nuances van de intonaties, de uitdrukking van de ogen — en de handelende personen van deze imaginaire dialogen konden toevallige bekenden van me zijn, of voorbijgangers die me om een of andere reden waren bijgebleven, of, ten slotte, ikzelf als moordenaar.’

Kortom, de chauffeur, en wellicht ook Gazdanov zelf, voelt zich net zo hulpeloos als alle anderen in het Parijs van de nacht en droomt (ook in Nachtwegen droomt de verteller vaak weg) van een daad die hij kan stellen. Helaas: ‘Aan het eind van zulke overpeinzingen kwam ik steeds tot hetzelfde resultaat, tot iets wat half gevoel, half conclusie was, het was een mengsel van ergernis en medelijden over het feit dat mij zo’n troosteloze en nodeloze ervaring ten deel was gevallen; en dat ik door stom toeval taxichauffeur was geworden.’

Stom toeval: of het nu een burgeroorlog is of een aanleg voor alcoholisme (of een vliegtuigongeluk), dit is natuurlijk wat de taxichauffeur met zijn klanten deelt en wat het onmogelijk maakt voor hem om al te veel afstand van ze te nemen. De emigrant en taxichauffeur Gazdanov neemt zelf deel uit van de nachtelijke ontheemden van Parijs. Hij staat tussen hen in op de onderste trede van de Franse samenleving, verbannen naar de nacht, van waar ze vertwijfeld omhoog kijken en moeten leren berusten in hun lot.

Wie zijn deze mensen? Gazdanov concentreert zich op zijn medevluchtelingen: Nachtwegen schildert voor een groot deel hun leven in de onderklasse en hun vaak vergeefse pogingen hogerop te komen (ook zijn korte verhalen zitten overigens vol dergelijke portretten). Zo is er de oud-generaal die hij ooit in Parijs tegenkwam en die later na een groot afscheidsfeest naar Brazilië zou zijn vertrokken om daar ‘ballistiek te doceren of iets van dien aard’. De verteller ziet hem later echter terug als beschonken arbeider in een cafeetje in een voorstad en concludeert: Brazilië was een fabeltje. ‘In werkelijkheid ging het om een vochtig arbeidershotel op zes kilometer van Parijs, de fabrieksfluit, rode wijn, de dagelijkse gang naar de fabriek, reumatische pijnen in zijn gewrichten, de wedergeboorte van de lever — volgens een gelukkige medische uitdrukking, en niks Brazilië, niks Argentinië, niks toekomstig Rusland natuurlijk, en geen enkele troost vanaf het moment waarop een afgeladen stoomschip op een nevelige herfstavond de stormachtige zee opvoer en voorgoed de kust van de verslagen Krim achter zich liet.’

Oud-politici die geen macht meer hebben maar de schijn ophouden, mislukte zakenlui die steeds weer failliet gaan, arbeiders aan de drank, allemaal passeren ze even de revue in Nachtwegen met hun gevallen levens. ‘Ik kreeg de indruk dat ik in een gigantisch laboratorium leefde,’ observeert de chauffeur, ‘waar geëxperimenteerd werd met de vormen van menselijk bestaan, waar het lot een schoonheid spottend in een oude vrouw veranderde, rijken in armen, achtenswaardige lieden in beroepsbedelaars — en dat met verbluffende, ongelooflijke perfectie.’

Gaandeweg de roman krijgen een aantal figuren in dit laboratorium meer reliëf. De verteller komt ze vaker tegen en noteert hoe het met ze gaat. Zijn leven raakt zelfs met het hunne vervlecht, ze worden min of meer vrienden. De belangrijkste is Fedortsjenko, een ‘blije kozak’ die de chauffeur nog uit de fabriek kent. Fedortsjenko doet het aanvankelijk prima volgens de verteller. Hij vergeet zijn verleden, spreekt uitsluitend nog accentloos Frans, lijkt niet geplaagd door heimwee naar zijn betere leven ooit in Rusland, wil alleen maar geld verdienen. Hij komt Suzanne tegen, een Frans hoertje dat de chauffeur ook wel kent uit het nachtleven, en samen beginnen ze een zaakje in het verven en reinigen van stoffen.

Alles gaat goed, de integratie lijkt compleet, tot Fedortsjenko Vasiljev ontmoet, een paranoïde en alcoholische Rus die hem opeens aan het twijfelen brengt over alles, tot aan de zin van het leven toe. Vasiljev komt dagelijks over de vloer om zijn samenzweringstheorieën uit de doeken te doen, Fedortsjenko verzaakt zijn werk en wordt mager en bleek, Suzanne bezoekt de taxichauffeur meer dan eens wanhopig met de vraag om in te grijpen. Die praat na lang aandringen wel met Fedortsjenko, maar vergeefs. Als op een dag een oud-generaal van de Witten in Parijs wordt ontvoerd (een geruchtmakende, waargebeurde zaak, waarschijnlijk zat de geheime dienst van de Sovjet-Unie erachter) ziet Vasiljev zijn complottheorieën bevestigd. Even later pleegt hij een moord op een willekeurige voorbijganger en brengt daarna zichzelf om het leven. Met Fedortsjenko gaat het vervolgens snel bergafwaarts. De chauffeur ziet hem avond na avond met holle ogen in een nachtclub luisteren naar de Russische zangeres Katja Orlova, ‘diep weggezonken in die mist van klanken in mineur’, verlangend naar ‘driespannen in de sneeuw’ die hij nooit had gekend. Uiteindelijk verhangt Fedortsjenko zich — de verteller is erbij als de zwangere Suzanne hem vindt.

Het is een gruwelijk drama, en niet het enige in Nachtwegen, over getraumatiseerde immigranten die zich uiteindelijk niet kunnen verzoenen met hun lot, over al het leed dat zich in die tijd buiten het zicht van de Fransen moet hebben afgespeeld. Tegelijkertijd lijkt Gazdanov ook te willen zeggen dat dit niet alleen de émigrés overkomt, dat het voor de hele onderklasse geldt. Parallel hieraan vertelt hij bijvoorbeeld het relaas van Raldi, de bejaarde en ooit beroemde Franse oud-courtisane met haar vele verhalen, die de chauffeur op een nacht op straat ontmoet (hij had in de Burgeroorlog al eens een officier de loftrompet over haar horen steken). Zij doet een vergeefse poging de mooie maar volgens de chauffeur behoorlijk domme jonge vrouw Alice op te leiden tot haar opvolgster — een tragische geschiedenis die hij ook van dichtbij meemaakt.

De chauffeur vertelt het uiteindelijk allemaal aan Plato, de alcoholische, bankroete filosoof in café d’Alençon, ‘de enige Fransman die voor mij geen totaal vreemde en onbereikbare gespreksgenoot was’. Plato raadt hem aan: ‘U moet drinken, dat verzeker ik u, anders gaat u eraan onderdoor.’ Maar de chauffeur blijft bij zijn melk en rijdt door, mijmerend over het laboratorium waarin hij leeft, in dat ‘omineuze en fantasmagorische Parijs’.

In Nachtwegen is de immigrant Gazdanov een levensfase verder dan Een avond bij Claire. Daarin nam hij afscheid van zijn jeugd, de toekomst in Parijs kon beginnen. In Nachtwegen neemt hij de lezer mee op een taxirit door de stad en laat hij zien hoe het verder ging met hem en veel Russen: een onzeker bestaan als outcast dat niet zelden dramatisch eindigde. En toch, zoals zo vaak bij Gazdanov, zit er een schilfertje hoop verstopt onder al die ellende: Suzanne baart een zoon, een Parijzenaar van Frans-Russische afkomst die het verleden misschien achter zich kan laten. En zelf laat de chauffeur zien dat er toch ook enig contact mogelijk is met de Franse samenleving, ook al is het vooralsnog alleen met de mede-outcasts, zoals Raldi en Plato. Helemaal onderaan de samenleving, borrelend op de bodem van een petriglaasje in het Parijse laboratorium, vindt misschien toch wel de eerste integratie plaats.

6. De moordenaar

En toen werd het weer oorlog. Tijd om Nachtwegen uit te geven was er niet meer, het verscheen in 1939–1940 weliswaar als feuilleton in Sovremennie zapiski maar zou pas begin jaren vijftig in boekvorm uitkomen. Er was toen al veel gebeurd. Gazdanov bleef tijdens de bezetting taxichauffeur in Parijs. Daarnaast was hij actief in het Frans-Russische verzet — hij gaf vlak na de oorlog een onbekend gebleven non-fictieboek uit over hoe dat georganiseerd was. In het Frans (zijn eigen vertaling uit het Russisch): blijkbaar wilde hij voor deze ene keer wel het Franse publiek direct bereiken, om het te laten zien wat de Parijse Russen hadden bijgedragen aan de strijd tegen de nazi’s.

Na de oorlog bleek de Russische émigré-gemeenschap in Parijs voor een belangrijk deel uiteengevallen: sommigen waren door de Duitsers omgebracht of gedeporteerd, anderen waren verder geëmigreerd, vooral naar de Verenigde Staten. De meeste literaire tijdschriften bestonden niet meer. Gazdanov reed echter nog altijd over de boulevards en was blijven schrijven, vooral aan manuscripten waaraan hij voor de oorlog al was begonnen.

In 1948 verscheen zijn roman Het fantoom van Alexander Wolf bij een Russische uitgever in New York. Het werd zijn grootste succes. Binnen enkele jaren werd het in verschillende talen vertaald (waaronder het Frans en het Engels) en in de jaren vijftig kwam er zelfs een verfilming. Gazdanov, inmiddels veertiger, nog altijd taxichauffeur, was heel even beroemd buiten het wereldje van de Russische émigrés en dat is niet zo verwonderlijk. Het fantoom van Alexander Wolf is zijn meest toegankelijke werk. In tegenstelling tot zijn voorgaande romans heeft het wel een herkenbare, en zelf populaire plotstructuur: die van een mysterieuze thriller met een verrassende ontknoping. Bovendien had Gazdanov er een romantisch subplot in verweven. Hij had het recept voor een bestseller gevonden.

En toch doet deze typering niet volledig recht aan het boek. Want Gazdanov overtreedt in Het fantoom van Alexander Wolf wel degelijk opnieuw de regels van het spel. Het toeval, dat in thrillers natuurlijk altijd in zekere mate aanwezig is, speelt wel een hele grote rol in deze roman. Sterker nog: in handen van een slechtere schrijver zou het verhaal volstrekt ongeloofwaardig zijn geweest. Maar Gazdanov komt ermee weg. Misschien wel omdat je als lezer proeft dat hij er zijn bedoelingen mee heeft. Want de worsteling van de Russische hoofdpersoon met het toeval — met het lot — vormt het echte verhaal van Het fantoom.

Die naamloze ik-verteller is weer een stuk beter geïntegreerd dan zijn voorganger in Nachtwegen: hij is journalist. En aan de Franse naam te zien van een collega waarover hij aan het begin vertelt, schrijft hij zelfs voor een Franse krant, in het Frans. Na de melancholieke nieuwkomer in Een avond bij Claire en de immigrant op de onderste sport van de maatschappelijk ladder in Nachtwegen, hebben we nu dus een protagonist die midden in de Franse samenleving staat, die erin is geslaagd daarin een plek te veroveren. Maar tegelijkertijd maakt hij nog altijd volop deel uit van de Russische gemeenschap in Parijs. Hij bezoekt Russische cafés en restaurants, gaat om met Russen, krijgt een Russische geliefde.

En hij blikt regelmatig terug op zijn Russische verleden. Zo begint zijn relaas: met een dramatisch incident uit de Russische Burgeroorlog, dat hem na al die jaren nog steeds achtervolgt. ‘Van al mijn herinneringen, van die eindeloze reeks ervaringen uit mijn leven, is de pijnlijkste de herinnering aan de enige moord die ik heb begaan,’ klinkt de spannende eerste zin. Precies volgens de regels van het thrillerspel: meteen een spanningsboog. Maar ik moest ook onmiddellijk denken aan de hoofdpersoon uit Nachtwegen, die uit wanhopige behoefte aan meer controle over zijn leven fantaseert dat hij een moord begaat. Hier heeft de hoofdpersoon dat blijkbaar al echt gedaan. Of laten we zeggen, in dit boek denkt Gazdanov door op die vraag: wat als je wél een moord zou hebben gepleegd? (Een gewetensvraag die overigens misschien niet toevallig twee andere boeken in herinnering roept: Dostojevski’s Schuld en boete en L’étranger van Albert Camus, met wie Gazdanov ook regelmatig vergeleken wordt.) En het is al meteen duidelijk dat dat niet veel goeds heeft opgeleverd: ‘Sinds het moment dat die plaatsvond, kan ik me geen dag heugen dat ik er geen spijt over heb gevoeld.’

Hij vertelt. We bevinden ons ergens in Zuid-Rusland, waar al vier dagen en nachten lang chaotische gevechten en troepenverplaatsingen plaatsvinden. De hoofdpersoon, een doodvermoeide zestienjarige soldaat, heeft net een brandend bos achter zich gelaten (denk aan Een avond bij Claire, waarin Kolja wegvaart van de Krim en in de stad achter zich een brand ziet woeden — hier opnieuw vlammen die onherroepelijk het verleden verteren). Het is een snikhete dag, de verteller is zijn kameraden uit het oog verloren en sjokt half slapend voort. Dan vindt hij een eenzame zwarte merrie, aan zadel en teugels te zien van een gesneuvelde kozak. Als hij die bestijgt zet het beest meteen een galop in, een stoffige weg op. Even maar: in een bocht zakt het op volle snelheid in elkaar. ‘Samen met haar stortte ik in een zachte en — want ik had mijn ogen dicht — donkere ruimte, maar ik slaagde erin mijn voet uit de stijgbeugel los te maken en bezeerde me bij het vallen nauwelijks. Een kogel had mijn paard in haar rechteroog getroffen en haar hoofd doorboord.’

De soldaat krabbelt op en ziet een ruiter op een enorm wit paard naderen, de schutter. Die richt opnieuw zijn geweer, maar de ik-figuur is sneller, trekt in een reflex zijn pistool en schiet: de ruiter valt van zijn paard en blijft liggen. Langzaam loopt de soldaat naar hem toe, met ‘de onstuitbare wens te zien wie ik gedood had’. Het blijkt een jonge man van twee-, drieëntwintig jaar te zijn, ‘tamelijk knap om te zien’. Hij is stervende, roze schuimblazen vormen zich tussen zijn lippen. De soldaat bekijkt hem aandachtig, maar dan hoort hij in de verte hoefgetrappel. Hij springt op de witte hengst en vlucht weg, de ruiter voor dood achterlatend op de weg.

We springen decennia vooruit, naar het einde van de jaren dertig, en de ik-figuur vertelt dat hij op een dag in Parijs een Engelstalig boek in handen krijgt getiteld I’ll Come Tomorrow. Hoe, dat vertelt hij niet, maar het is het eerste onwaarschijnlijke toeval in dit relaas. Want in I’ll Come Tomorrow staat het verhaal ‘Een avontuur in de steppe’. En tot ontzetting van de verteller blijkt dat exact hetzelfde incident te zijn, maar dan verteld vanuit het perspectief van de ruiter. Die dus was blijven leven, dat kan niet anders. De verteller had helemaal geen moord begaan.

Een nieuwe spanningsboog: de verteller wil de schrijver ontmoeten, een zekere Alexander Wolf. Wie is hij, wat is er van hem geworden, hoe kan het dat hij zo perfect Engels schrijft? (Dit zou zomaar een subtiele verwijzing naar Vladimir Nabokov kunnen zijn, de schrijver die in tegenstelling tot Gazdanov Engels ging schrijven in zijn nieuwe vaderland Amerika.) De verteller komt even later voor zijn journalistieke werk in Londen en bezoekt bij die gelegenheid Wolfs uitgever. Die ontkent dat Wolf een Russische immigrant is, ‘Mister Wolf is een Engelsman, ik ken hem al jaren.’ Het verhaal zou verzonnen zijn. Maar mocht het toch echt zijn gebeurd, zegt de uitgever op het eind opeens onheilspellend, dan had de verteller ‘beter moeten richten. Dat had zowel mister Wolf als een aantal andere personen onnodige complicaties bespaard.’ De uitgever belooft een seintje te geven als Wolf, die verdwenen is, weer opduikt, maar laat niks meer van zich horen.

Het Londense spoor loopt dood, maar in Parijs krijgt de speurtocht naar Wolf een nieuwe wending. Opnieuw een onwaarschijnlijk toeval: in een Russisch restaurant waar hij vaak komt ontmoet de verteller een beschonken stamgast, een zekere Voznesenski. En die blijkt een van de kameraden van Wolf te zijn geweest die hem voor dood aantroffen op die weg in de steppe. Wolf was in die tijd een gevaarlijke, avontuurlijke partizaan, blijkt uit de verhalen van Voznesenski, die maar niet begrijpt hoe Wolf zich later heeft kunnen transformeren tot een Britse schrijver. De verteller onthult niet dat hij de schutter op de steppe was, maar probeert wel via Voznesenski Wolf te traceren. Die lijkt echter nog steeds van de aardbodem verdwenen.

De verteller denkt veel aan Wolf, en herkent in hem een gespletenheid die hij zelf ook vaak voelt: tussen intellect en vechtlust, boeken en sport, cultuur en oorlog (denk ook aan de jonge Gazdanov, die deels uit zucht naar avontuur op zijn zestiende in het Witte leger ging). Hij vermoedt dat dit de reden is dat hij zelf geen schrijver is geworden, maar journalist, en vraagt zich af hoe Wolf wel succesvol heeft kunnen zijn als auteur, het geduld heeft kunnen opbrengen om een boek te schrijven.

Maar Wolf blijft onvindbaar en al snel neemt het verhaal schijnbaar een abrupte wending. De verteller moet een bokswedstrijd verslaan (een prachtig stuk fictieve reportage van Gazdanov) en komt daar een vrouw tegen die een kaartje zoekt. Ze gaan na de wedstrijd wat drinken in een nachtcafé aan de rue Royale en de verteller raakt op slag verliefd op de ‘disharmonie’ in haar gezicht, en haar plotselinge glimlach. Haar achternaam is Armstrong en ze was tot twee jaar daarvoor getrouwd met een Amerikaan. Maar ze blijkt, tot verrassing van de verteller, een Siberische vluchteling uit de Burgeroorlog, Jelena Nikolajevna. Net als Wolf is ze dus een immigrant. Maar anders dan de verteller heeft ook zij zich schijnbaar moeiteloos kunnen transformeren tot een westerling.

Acht dagen later bezoekt hij haar in haar appartement aan de rue Octave Feuillet en in plaats van het eindeloos om elkaar heen draaien als in Een avond bij Claire, gaan ze hier diezelfde avond met elkaar naar bed. Een onvergetelijke ervaring voor de verteller, hij voelt zich ‘getransformeerd als een bos na de regen’ — alsof het verzengende vuur van het verleden eindelijk is geblust.

De liefde blijkt de weken erna verlossend te werken voor de hoofdpersoon: ‘Ik leefde nu eindelijk een echt leven, dat niet voor de helft, zoals tot dan toe altijd het geval was geweest, bestond uit herinneringen, spijt, voorgevoelens en vage verwachtingen’. Hij wandelt (weer net als Kolja in Een avond bij Claire) ‘s nachts terug naar huis en deze keer ‘leek mijn eigen leven me ongelooflijk, ik kon er maar niet aan wennen dat ik eindelijk zonder tragedie leefde.’

Even is dat ook echt zo. De affaire met Jelena ontwikkelt zich tot een relatie, en zij gaat ook nog eens als assistent voor hem aan het werk. De journalist is zo gelukkig dat hij zelfs zijn zoektocht naar Alexander Wolf vergeet — hij vertelt haar er niks over. De enige schaduw die af en toe boven hun liefde hangt is volgens de verteller het feit dat een of ander geheim haar soms somber en onrustig maakt. Op een dag vertelt ze erover: haar vorige relatie zit haar nog geregeld dwars. Twee jaar daarvoor had ze in Londen een man ontmoet met een zeer duister wereldbeeld, iemand die geen enkele illusie koesterde over de zin van het leven. Na een tijdje was ze daar zo gedeprimeerd van geraakt dat ze, zeer tegen zijn zin, de relatie verbrak en naar Parijs vertrok zonder haar adres achter te laten. (In tegenstelling tot Fedortsjenko uit Nachtwegen weet zij dus wél te ontsnappen uit de klauwen van iemand met verloren illusies.) Maar ze was af en toe nog steeds bang dat hij achter haar aan zou komen. En ze vreesde dat zijn woorden haar voor altijd hadden vergiftigd. Nu pas, na al die maanden en jaren, zegt ze, ‘begin ik te denken dat het misschien niet onherroepelijk is.’

Kort daarna gaat de journalist weer eens naar het Russische restaurantje. Daar zit Voznesenski, met tegenover hem: Alexander Wolf. Een onbeweeglijke blik in zijn ogen, een onbeschrijfelijke uitdrukking op zijn gezicht: ‘Ja, hij leek werkelijk op een fantoom’. Het is het zoveelste toeval in de roman. De geschrokken verteller zegt nog niks, maar ze spreken af om later met z’n drieën uit te gaan. Bij zijn vertrek overdenkt hij dat hij nu met een vreemd schuldgevoel rondloopt over wat hij niet gedaan heeft, eigenlijk over zijn verborgen moordlust, de verlokking ervan en de afschuw erover, ‘dit strikt theoretische, misdadige detail in de biografie van mijn ziel’. En hij verwondert zich over de gebeurtenissen die zijn voortgekomen uit dat ene schot, ‘wonderbaarlijk’.

Dan volgt de ontmoeting met Wolf: de verteller bekent wie hij is. Wolf staat op en de schrijver ziet heel even een blik waarin ‘iets wat werkelijk verschrikkelijk was’. Ze hebben kort een gesprek, waarna Voznesinski komt en ze de hele nacht uitgaan in Montmartre. Wolf blijkt een man zonder veel illusies over het leven. Alles is volgens hem toeval, zowel de dood als het geluk. Het leven is een treinreis en dan gaan je plotseling dood door en of andere ontsporing, aldus Wolf, in een echo van Gazdanovs De vlucht. De volgende middag hebben ze weer een ontmoeting. Er volgt opnieuw een gesprek over leven en toeval. Later overdenkt de verteller dat alles weer en realiseert hij zich dat de meedogenloze Wolf zelf een moordenaar moet zijn, iemand die heeft gemoord. Wat is de aantrekkingskracht van moord, vraagt hij zich af. En hij concludeert: het is ‘de mogelijkheid een kort moment sterker te zijn dan het noodlot en het toeval’.

De schrijver vertelt Jelena niets over zijn verontrustende ontmoetingen met Wolf, die zouden ‘iets vreemds en vijandigs’ in hun relatie kunnen brengen. In plaats daarvan gaan ze een weekje met de auto Parijs uit en voelt de verteller zich opnieuw intens gelukkig. Enkele dagen na terugkomst begint hij echter te merken dat Jelena onrustig wordt. Tijd om ernaar te vragen heeft hij niet, want hij krijgt een telefoontje: Pierrot de krullenkop, een vriend en een van zijn tipgevers uit de Parijse onderwereld, staat op het punt gearresteerd te worden. Hij belt Pierrot om hem te waarschuwen maar krijgt alleen diens vriendin aan de lijn, de man is niet thuis. In een impuls grijpt de verteller zijn pistool (waarover we niks wisten) en gaat naar het politiebureau, waar hij ook zijn contacten heeft. Hij mag de agenten naar het huis van Pierrot volgen, die inmiddels net thuis is gekomen. De omsingelde bandiet sterft in een regen van kogels als hij zijn huis uit stormt. De verteller is als eerste bij hem en Pierrot fluistert: ‘Dank je, het was te laat.’ Dat laat de verteller wijselijk achterwege als hij even later in een cafeetje zijn artikel schrijft over de dood van de befaamde crimineel.

Met deze scène slaat de roman op het eerste gezicht een vreemd zijpad in, misschien bedoeld om te laten zien dat de journalist zich nog altijd aangetrokken voelt door duistere kant van de samenleving. Maar we zijn inmiddels bijna aan het eind van de roman en even later blijkt dat Gazdanov het plot nog altijd strak in handen heeft, en dat die aantrekkingskracht ook functioneel is. Want nu bezoekt de journalist, verdwaasd door het hele gebeuren, Jelena. Hij opent de deur en hoort haar tegen iemand schreeuwen. ‘Nooit, hoor je, nooit!’ roept ze. Een silhouet van een man staat dreigend tegenover haar, pistool in zijn hand. De man schiet, maar schampt alleen Jelena, die op dat moment net een vaas naar hem gooit. De verteller trekt zijn pistool, het is het laatste grote toeval dat hij die bij zich heeft, en in een herhaling van het incident op de steppe schiet hij de indringer neer. Hij buigt zich over hem heen — en kijkt in de stervende ogen van Alexander Wolf, de afgewezen geliefde van Jelena. Meteen daarna is de roman afgelopen.

Een thriller, maar ook veel meer dan dat is Het fantoom van Alexander Wolf. Ik zie deze roman als een vervolg op een avond bij Claire, De vlucht en Nachtwegen, zelfs als het sluitstuk van een serie over de transformatie van Gajto Gazdanov en zijn personages tot die hybride vorm van Parijse Rus. De hoofdpersoon, opnieuw een Russische emigrant in Parijs, is in dit boek als Franstalige journalist nog weer beter geïntegreerd in de Franse samenleving dan zijn voorgangers. Hij neemt bovendien veel meer initiatief. Hij is geen dromer of relatieve buitenstaander meer, maar neemt actief deel aan het verhaal. Datzelfde geldt voor andere personages als Jelena en Alexander Wolf: deze immigranten hebben allemaal het lot min of meer weer in eigen handen genomen, nadat de loop van de geschiedenis hen dat had ontnomen. Wolf is daarin het verst gegaan: van gewelddadige rebel is hij getransformeerd in schrijver, van Rus in Engelsman, hij heeft schijnbaar een complete metamorfose ondergaan. Hetzelfde geldt in het begin voor Jelena: de hoofdpersoon heeft in het begin niet eens door dat ze Russische is. Wolf en Jelena zijn na hun vlucht uit de Sovjet-Unie dus een compleet nieuw leven begonnen, inclusief spreken en schrijven in hun nieuwe taal.

Transformatie en metamorfose zijn thema’s die vaak opduiken in exil-literatuur. Dat is niet verwonderlijk, want een vluchteling is in zijn of haar nieuwe land welhaast gedwongen op een of andere manier een verandering te ondergaan, of in elk geval daarover een beslissing te nemen. Leer je een nieuwe taal of niet, pas je je aan de zeden en gewoontes van je nieuwe land aan, welke plek geef je je oude leven in het nieuwe en wat breng je je kinderen bij? Dat zijn allemaal vragen die een verandering van identiteit impliceren, en zo ook literaire grondstof vormen.

Je ziet het al bij de schrijver van de eerste bekende literaire exil-geschriften, de klaagdichten van de door keizer Augustus naar de Zwarte Zee verbannen Romeinse dichter Ovidius. Is het toeval dat die beter bekend is als de auteur van de Metamorfosen? (Er bestaat overigens nog altijd discussie over de vraag of hij ooit wel echt is verbannen — misschien was de exil voor hem ook wel een nieuw literair terrein om zijn metamorfose-thema op uit te werken). En is het toeval dat collega-emigrant Vladimir Nabokov zo gefascineerd was door vlinders, metamorfose-dieren bij uitstek?

Nabokov schreef na zijn verhuizing naar de VS uitsluitend nog in het Engels. Hij heeft daarover gezegd dat hij zich zo als enige van zijn exil-generatie wist te ontworstelen aan zijn lot om voor altijd door te moeten gaan als Rus-in-ballingschap — het thema waarmee hij al in Masjenka speelde natuurlijk. Gazdanov neemt daar duidelijk een andere positie over in. Zoals gezegd, in Alexander Wolf kun je in de verte Nabokov herkennen. En over Wolf is Gazdanov uiteindelijk niet bepaald positief. Wolf is meedogenloos, gewelddadig en nihilistisch. Het totaal afschudden van je oude ik is in feite een daad van geweld, lijkt Gazdanov te zeggen, een moord op die oude ik. En daarvoor moet je iemand zijn met het karakter van Wolf. Zo is de verteller niet, hij ervaart dan wel de aantrekkingskracht van het geweld, maar voelde zich zelfs na jaren nog schuldig over die ene ‘moord’ die hij, nota bene als minderjarige in oorlogstijd, zou hebben begaan. Net zo goed is hij dus nooit in staat geweest zijn Russische ik uit te wissen, zijn herinneringen bleven hem plagen en als journalist voor een Franse krant bleef hij intensief deelnemen aan de Russische gemeenschap in Parijs. (Ook Jelena was er trouwens niet toe in staat, gezien haar scheiding van de Amerikaan ‘Armstrong’ en haar uiteindelijke terugkeer naar het Russische Parijs.) En hetzelfde geldt natuurlijk voor Gazdanov zelf, die vloeiend Frans sprak maar in het Russisch bleef schrijven en met één been in het Russische wereldje bleef staan. Met één groot verschil met vele andere Russen: Gazdanov verlangde niet voortdurend sentimenteel terug naar hoe het ooit was, maar keek vooruit, bouwend aan een hybride bestaan als schrijver met zowel Franse als Russische invloeden, als Parijzenaar met een Russisch smaakje.

Bij Gazdanov en zijn personages zie je voortdurend op allerlei niveaus geworstel met de gespletenheid die ze in zichzelf ervaren: tussen dromen en doen, tussen intellect en gevoel, tussen cultuur en geweld, tussen schrijver en arbeider, tussen verleden en toekomst, tussen controle en hulpeloosheid, en tussen Rusland en Parijs. Ze zoeken naar evenwicht, naar een soort samengaan in een nieuwe manier van leven. In Het fantoom van Alexander Wolf vindt de hoofdpersoon, en met hem misschien ook wel Gazdanov, dat evenwicht. De verteller schiet Wolf dood, niet uit moordzucht maar om Jelena te verdedigen: zijn ‘gewelddadige’ kant heeft hier in zijn voordeel gewerkt. De dreigende en drukkende last van het verleden is nu voor beiden uit de weg geruimd, zonder dat ze zich daar schuldig over hoeven te voelen of dat ze dat verleden hoeven te vergeten.

En wat heeft daarvoor gezorgd? Het toeval, het lot. Het lot dat hen eerst uit hun land verjoeg en hun levens op zijn kop zette is hen nu eindelijk eens gunstig gezind: door die hele reeks toevalligheden in Het fantoom van Alexander Wolf kan de verteller op het juiste moment met een pistool in de kamer van Jelena eindigen en het bevrijdende schot lossen. Het lot ontnam ze de controle over hun leven, en geeft die nu weer terug. Dat is een positieve, of in elk geval hoopgevende boodschap: het lot kán je ook gunstig gezind zijn.

Maar dat lot is natuurlijk niemand minder dan Gazdanov zelf. Hij heeft het verhaal bedacht, hij heeft het ingenieuze thrillerplot geconstrueerd, hij is de schrijver. Gazdanov heeft dus zelf ook de controle terug veroverd over het verhaal, over het lot van zijn personages. Hij was als schrijver ‘een kort moment sterker […] dan het noodlot en het toeval’. En dat is opmerkelijk: Een avond bij Claire was vooral plotloos en associatief, in De vlucht was het lot vooral een ramp, Nachtwegen meanderde langs personages en verhalen, maar Het fantoom van Alexander Wolf is op alle momenten strak geregisseerd. Kijk, zegt Gazdanov in deze roman, ik laat mijn personages niet meer over aan hun lot, zoals de grote geschiedenis dat met hen en mij heeft gedaan, ik word zelf het lot en help ze naar een beter leven. Daaruit spreekt een zelfvertrouwen dat ook over hem gaat: blijkbaar voelt ook hij zich zo bevrijd van zijn verleden dat hij weer het gevoel heeft het heft in eigen handen te kunnen nemen: als schrijver, maar ik denk ook als mens. Dat wil niet zeggen dat hij vanaf dan niet meer over Rusland of de Russen in Parijs schrijft, maar dat dat veel meer een eigen keuze is geworden, in plaats van een door het lot afgedwongen richting. Met Het fantoom van Alexander Wolf is de Burgeroorlog voor Gazdanov eindelijk afgelopen.

7. De radiomaker

Als je in Parijs een regionale trein naar het zuiden neemt, kom je na een halfuurtje rijden door de banlieue aan in de gemeente Sainte-Geneviève-des-Bois. Nog niet zo lang geleden was dit een dorp op het platteland buiten Parijs, nu wordt het langzamerhand opgeslokt door de oprukkende buitenwijken. Neem vanaf het station de bus naar het Russische kerkhof en je passeert de dorpse bakker en de slager, maar ook uitgestrekte flatwijken, sportvelden en bedrijventerreinen — een vervreemdend gezicht. Na een tijdje kriskras door het plaatsje te hebben getoerd, stopt de bus voor de ingang van een ommuurde begraafplaats. In de vorige eeuw moet je vanaf hier uitgekeken hebben op glooiende weiden, nu begint de nieuwbouwwijk aan de overkant van de straat.

Maar als je eenmaal onder het poortje door bent gewandeld, stap je in een andere wereld. Je ziet een orthodoxe kerk met zijn koepeldak, bomen, lanen, en graven met dubbele kruizen. Dit is een Russische dodenstad onder het Franse licht van een Van Gogh-schilderij. Hier zijn in de loop der tijd naar schatting meer dan tienduizend Russen uit de Parijse exil begraven, ook van latere jaren, en er bevinden zich nu nog zo’n vijfduizend graven. Daartussen liggen Ivan Boenin, Sergej Lifar, Rudolf Noerejev en Andrej Tarkovski, net als vele andere voor de bolsjewieken en sovjets gevluchte politici, schilders, dichters, wetenschappers, prinsen, prinsessen en generaals — je vindt hun namen en het nummer van hun graf op een bord bij de ingang. Ook vele fabrieksarbeiders, winkeliers, barvrouwen en taxichauffeurs vonden hier natuurlijk hun laatste rustplaats, alleen hun levens worden nergens gememoreerd.

Het moet een stille overeenkomst zijn geweest in de Russische gemeenschap: als je sterft, dan ga je naar Sainte-Geneviève-des-Bois. Het meest opvallend zijn wel de graven van de Witte soldaten: de in 1919 gevluchte Don Kozakken, Kadetten en andere regimenten liggen hier netjes in het gelid onder de grond, rij na rij van identieke grafstenen omringd door een hek, met aan het hoofd het praalgraf van hun generaal. Soldaten en hun aanvoerders, onderaards verenigd voor het laatste appèl, een heftig en triest gezicht.

Gajto Gazdanov ligt ook op Sainte-Geneviève-des-Bois, ergens achteraan. Tussen zijn lezers, zou je kunnen zeggen. Hij overleed aan longkanker op 5 december 1971, 68 jaar oud, als onbekende en welhaast vergeten exil-schrijver (de New York Times wijdde als enige grote westerse krant een klein bericht aan zijn overlijden). Lange tijd lag hij onder een eenvoudige grafsteen, maar daar kwam na zijn herontdekking in Rusland begin jaren negentig, nadat de communisten eindelijk waren verdwenen, verandering in. Op zijn graf prijkt nu een dramatisch reliëf van een gevallen engel, gedoneerd door een groep Ossetiërs onder leiding van dirigent Valeri Gergiev. Zou Gazdanov deze inlijving bij de etnische groep waar zijn ouders vandaan kwamen hebben gewaardeerd? Ik betwijfel het.

Na het succesvolle Het fantoom van Alexander Wolf volgde begin jaren vijftig nog een roman van zijn hand die goed verkocht: De terugkeer van de Boeddha. Dat was meer dan Alexander Wolf een conventionele thriller over een verdwenen Boeddha-beeldje, waarin enkele interessante Kafkaëske elementen zitten verwerkt. Het leven van Russische emigranten speelt er wel een minder prominente rol in en volgens mij was Gazdanov daar na Alexander Wolf ook klaar mee. Ook in zijn drie laatste romans, Pelgrims, Ontwakingen en Eveline en haar vrienden, nog weinig vertaald, duikt het niet meer nadrukkelijk op, die hebben zelfs Franse hoofdpersonen. Wat niet wil zeggen dat hij ook afscheid had genomen van de onderliggende thema’s: de worsteling van het individu met het lot blijft centraal staan in deze filosofische, ‘existentiële’ romans van Gazdanov, alleen niet meer vanuit het perspectief van bannelingen in Parijs.

De redelijk bekende, maar nog altijd niet rijke en geregeld zelfs nog in zijn taxi rondrijdende schrijver Gajto Gazdanov kreeg begin jaren vijftig een aantal aanbiedingen voor een nieuwe baan. Zo kon hij bij een Russische uitgever in New York aan de slag. Maar na een bezoek (betaald door een oude vriend) besloot hij dat New York net Brussel was, en niks voor hem. Voor een Frans radio-interview over de goed ontvangen vertaling van Alexander Wolf, een uitgelezen kans om een groot Frans publiek te bereiken, kwam hij te laat opdagen. Volgens de literatuurwetenschapper die over hem schreef was dat met opzet, de bescheiden Gazdanov kon zichzelf publiekelijk maar moeilijk serieus nemen als schrijver. Maar toen hij eind 1952 het aanbod kreeg om als ‘schrijver-redacteur’ te komen werken bij Radio Liberty, de op het Oostblok gerichte radiozender die de Oost-Europeanen moest inlichten over het vrije Westen (later samen met Radio Free Europe en nog steeds actief online), nam hij dat aan. Radio Liberty zetelde in München en begin 1953 vertrokken Gazdanov en zijn vrouw naar Zuid-Duitsland. Na 24 jaar was de taxi definitief verleden tijd.

Waarom verruilde Gazdanov zijn geliefde Parijs voor München? Misschien had het wel te maken met zijn verlangen naar een Russischtalig publiek. In Parijs was dat gedecimeerd, en via de radio kon hij, al was het maar op afstand, toch nog gelijkgezinden bereiken. Ook enkele schrijvende vrienden van Gazdanov gingen bovendien voor de zender werken. Gazdanov schreef en redigeerde in elk geval voor de ‘Russian Desk’ van Radio Liberty, tot het eind van de jaren zestig vooral bijdragen over politieke en sociale thema’s. De eerste jaren in Duitsland, maar toen zijn collega’s uit München vertrokken, voelde hij zich meer en meer alleen staan. In 1959 kon hij terugkeren naar Parijs als correspondent voor Radio Liberty — het appartement in de rue Brancion had hij aangehouden. In 1967 moest hij echter weer terug naar München. Daar richtte hij zich in zijn laatste jaren nog op literaire thema’s en auteurs, vooral in de (helaas nog ongepubliceerde) radioserie ‘Dagboek van een schrijver’. Hij bleef ook tot zijn dood werken aan zijn verhalen en romans. Eind 1971, na zijn overlijden, keerde hij voor de laatste keer terug naar Parijs: het kerkhof in Sainte-Geneviève-des-Bois, de laatste hoeder van de Russische ballingengemeenschap van na de Burgeroorlog, wachtte op hem.

In 1960 schreef Gazdanov het korte verhaal ‘Requiem’. Ik denk dat hij daarin als schrijver al afscheid begon te nemen van die afstervende wereld van de exil-Russen. Net als in veel van zijn verhalen komt er weer een metamorfose in voor, een radicale verandering van een of meerdere personages. In dit geval, dat gebaseerd zou zijn op wat Gazdanov zelf had meegemaakt, gaat het om een groep Russen die voor de oorlog meestal werkloos rondzwierven. ‘Niet omdat ze geen werk konden vinden,’ aldus de ik-verteller, ‘maar omdat ze een onoverkomelijke en koppige weerzin voelden om te moeten leven zoals iedereen: naar de fabriek gaan, een kamer huren in een armoedige kazerne, elke twee weken hun loon in de zak steken. Ze leefden in een staat van permanente — en meestal onbewuste — revolte tegen de Europese realiteit die hen omgaf.’

Op een koude winteravond in februari 1943 komt de verteller enkelen van hen tegen in een Parijs’ café, waar ze goede sier maken met mooie kleren en ruime fooien uitdelen. Ze zijn namelijk dankzij de oorlog steenrijk geworden: de outcasts hebben zich een plek weten te verwerven als tussenhandelaren tussen de nazi-bezetters, die voortdurend op zoek zijn naar voorraden tandpasta, zeep, auto’s, elektriciteitsdraden en vele andere goederen, en de Franse handelaren die hun waar kwijt willen zonder vuile handen te maken. ‘Als in een sprookje waren de werklozen van gisteren getransformeerd in welgestelden.’

De verteller kent één van hen, Grigori Timofejevitsj, Grisja of Gritsjka voor zijn vrienden. Een hartelijke, filosofische Rus: hij vertelt de verteller die winteravond op melancholieke toon dat hij nu wel rijk is en alles bezit waar hij altijd naar verlangde, maar eigenlijk nog altijd niet gelukkig is. ‘Wat ik zo jammer vind, is dat ik een leven geleefd heb zonder te begrijpen waar het geluk zich bevindt, en waar het uit bestaat. Het warm hebben, een glas drinken, eten. En dan?’

Als de verteller twee weken later weer in het café komt, blijkt dat Grigori Timofejevitsj ernstig ziek thuis ligt. Hij heeft niet lang meer te leven. De ik-figuur gaat bij hem op bezoek en hoort dezelfde trieste klacht aan: ‘Ik ga sterven zonder te begrijpen wat ik van het leven wilde.’ Drie dagen later is hij dood.

Daarna neemt het verhaal een wending, het ondergaat ook een transformatie. De volgende dag bezoekt de verteller opnieuw het appartement van Gritsjka, nu voor de Russisch-Orthodoxe afscheidsdienst die voor de dode geregeld is. Het is hartje winter, maar de kamer staat vol bloemen die zijn rijke maten ergens vandaag hebben getoverd. Alle handelaren, alle vrienden uit het café zijn aanwezig. Dan arriveert de priester, een reumatische oude man die uit dezelfde regio in Rusland blijkt te komen als Gritsjka. Hij vraagt de omstanders hem te helpen bij het gezang voor de dode en dan, alsof een koor tot leven komt, heffen de bezoekers het requiemlied aan. Het is een schitterende dialoog tussen de priester en het koor, waarbij de mannen droevig de sterfelijkheid van de mens bezingen. De verteller is diep onder de indruk: ‘Nooit heeft een requiemdienst me zo gegrepen als op die sombere winterdag in Parijs.’

Als de stemmen zwijgen wordt de kist met Grigori Timofejevitsj de straat op gedragen en op een lijkwagen gelegd, ‘die hem naar een kerkhof buiten de stad zou brengen’ — zonder twijfel Sainte-Geneviève-des-Bois. Dan valt de avond, ‘de nacht bedekte wat er plaats had gevonden.’

En na enige tijd, besluit de verteller melancholiek, ‘kreeg ik het gevoel dat dit helemaal niet had bestaan, dat het een hallucinatie was geweest, een kort binnendringen van de eeuwigheid in de historische en toevallige werkelijkheid, onze werkelijkheid, waarin wij vreemde woorden spraken in een vreemde taal, zonder te weten waar we heen gingen, laat staan wisten waar we vandaan waren gekomen.’

--

--

Henk van Renssen

I am an ex-journalist and critic (de Volkskrant, Vrij Nederland) and acquiring editor at Balans publishers, Amsterdam. I also wrote ‘De revolutieverzamelaar’.